3. De kiesrechthervormer

Gepubliceerd op 22 juni 2021 om 14:30

Stil zitten is Dòktor vreemd en al drie weken na zijn aankomst op Curaçao, op 23 januari 1936, is hij medeoprichter van de Curaçaose Roomsch Katholieke Partij (of kortweg Katholieke Partij genoemd). Da Costa Gomez neemt zitting in het partijbestuur. Één van de punten in het actieprogramma van de Katholieke Partij is: “streven naar een volksvertegenwoordiging op grond van een zo uitgebreid mogelijk kiesrecht”.

In februari 1936 begint mr. dr. da Costa Gomez zijn carrière op Curaçao als adjunct-commies bij het Parket en wordt hij benoemd tot secretaris van de Commissie van Wetgeving. Als hij de zijde kiest van de arbeiders van de olieraffinaderij C.P.I.M. (onderdeel van Shell) die om loonsverhoging vragen, en daardoor betrokken raakt bij een arbeidersstaking van 6 tot 13 februari 1936, komt hij in conflict met de machtige oliemaatschappij. Schrijver en journalist J. van de Walle schrijft in ‘Curaçao in vroeger dagen’ dat de jaren dertig in het hele Caribisch gebied gekenmerkt worden door opstanden, branden en geweld. Op Curaçao geven de arbeiders onder andere door werkstakingen uiting aan de sociale ontevredenheid. Al eerder deden zij dat bij de havenstaking van 1913 tegen de Koninklijke West Indische Maatschappij (K.W.I.M.) en bij een staking van bootwerkers in 1922.

Guillermo Rosario publiceert veel later in Opinion (december 1966) een lijst, opgesteld door experts van C.P.I.M, waarin vermeld wordt wat de Curaçaose arbeider volgens hen minimaal nodig had aan vergoeding: gezouten vis, bonen en funchimeel. Over vlees, melk en groenten wordt niet gesproken midden jaren dertig. Dat alle leidinggevende functies bij C.P.I.M. per definitie naar vanuit ‘het moederland’ overgekomen Nederlanders gaan, versterkt de sociale ontevredenheid en antikoloniale stemming.

 

Raffinaderij C.P.I.M. rond 1920, een van de drie machtscentra naast de gouverneur en de bisschop. Bron: Nationaal Archief Curaçao.

 

Kort na de staking van 1936 is Da Costa Gomez medeoprichter van de bond voor Shell-arbeiders, de R.K. Algemene Arbeidersbond, waarvan hij secretaris-generaal wordt. Hij moet zijn functie als vakbondssecretaris echter al na een week neerleggen onder druk van zijn superieuren. Hij blijft wel aan als juridisch adviseur en is later dat jaar betrokken bij de oprichting van de Ambtenarenbond (de latere ABVO). Gouverneur Van Slobbe ziet een ‘gevaar’ in de jonge welbespraakte rechtsgeleerde. Daarom plaatst hij Da Costa Gomez in mei 1936 over naar Sint-Maarten, als dienstdoend ambtenaar van het Openbaar Ministerie. Feitelijk is dit een verbanning. Er is namelijk zeer beperkt vaarverkeer tussen deze twee eilanden voor mensen, goederen, boeken en kranten. Vijf maanden later, onder de nieuwe gouverneur Wouters, keert Da Costa Gomez terug naar Curaçao, waar zijn benoeming volgt tot adjunct-commies van de Griffie. Nog in hetzelfde jaar wordt hij bevorderd tot commies. In 1937 volgt zijn aanstelling tot substituut-griffier.

 

De felle tegenstand van de koloniale overheid, het bedrijfsleven en de Rooms Katholieke Missie om de macht te delen met het volk vormt een voedingsbodem voor de ideeën van Da Costa Gomez. Het motiveert hem om nog harder te streven naar algemeen kiesrecht en autonomie voor Curaçao en de andere eilanden. Op 2 december 1937 neemt de Katholieke Partij, samen met drie andere partijen, deel aan de eerste verkiezingen van de Staten der Nederlandse Antillen. Deze verkiezingen worden mogelijk door de Staatsregeling van 1936 en het Kiesreglement van 17 maart 1937.

In het Kiesreglement wordt beperkt (mannen)kiesrecht voor 5% van de bevolking toegekend. De Katholieke Partij wint bij deze verkiezingen drie van de zes aan Curaçao toegewezen zetels (op een totaal van tien zetels voor alle zes eilanden). Dit betekent de start van Dòktor’s politieke loopbaan.

Op 5 april 1938 treedt hij samen met twee partijgenoten, E.C. Martijn en Mr. A.W.J.H Dessertine, toe tot de Staten en wordt benoemd tot voorzitter van de Rooms Katholieke fractie. Vier dagen daarvoor, op 1 april 1938, de dag waarop de Staten voor het eerst geopend worden, houdt Da Costa Gomez een indrukwekkende rede tijdens een hulde aan Abraham Mendes Chumaceiro op het Joods Kerkhof. Hij roemt Chumaceiro om zijn onvermoeibaar pleiten voor politieke rechten en kiesrecht voor het Curaçaose volk sinds 1880. Het ideaal waar Da Costa Gomez zich ook met hart en ziel voor inzet.

 

In juni 1938 dient gouverneur Wouters een ontwerp in voor uitbreiding van de groep kiezers. Dit leidt tot een strijd tussen katholieken en niet-katholieken. De niet-katholieken zijn bang dat uitbreiding van het kiesrecht in hun nadeel werkt, omdat het grootste gedeelte van de bevolking op Curaçao katholiek is. Da Costa Gomez is bij de behandeling van het ontwerp de meest uitgesproken voorvechter van uitbreiding van het kiesrecht, omdat dit helemaal past in zijn streven naar algemeen kiesrecht. Maar ook buiten de Staten brengt hij uitbreiding van het kiesrecht constant ter sprake. Hij heeft het daarbij over “het heilige recht van het Curaçaose volk.” Het ontwerp van gouverneur Wouters wordt uiteindelijk aangenomen met acht katholieke tegen zeven niet-katholieke stemmen. In de politiek rustige periode 1938 – 1940 die volgt, is Da Costa Gomez het enige Statenlid dat zijn politieke ideeën over algemeen kiesrecht en zelfbestuur blijft aankaarten en verdedigen in de Staten. Hij bekritiseert geregeld het lokale bestuur en de beperkingen van het kiesrecht. Hij beseft dat voor zelfbestuur een volwaardige volksvertegenwoordiging en algemeen kiesrecht nodig zijn. 

 

 

 

Dòktor is één van de stuwende krachten achter de grote boekententoonstelling die in november 1939 door ‘Sociëteit de Gezelligheid’ wordt georganiseerd. Op deze expositie zijn veel Antilliaanse curiosa te bezichtigen, waaronder het eerste gedrukte boek in het Papiamentu “De Katechismus”, uitgegeven door Mgr. Niewindt (1825).

Dòktor verzorgt bij die gelegenheid de openingsrede.

 

Boekententoonstelling in Sociëteit De Gezelligheid, 1939, v.l.n.r. Johan van de Walle, Moises Frumencio ‘Dòktor’ Da Costa Gomez, Lucia Engels-Boskaljon, Chris Engels, Herman ‘Harry’ Cornelis Jorissen – alias Herman Cornel, Frits van der Molen en Do Kwarts. Bron: Caraïbisch Uitzicht, Werkgroep Caraïbische letteren.

 

Naast zijn politieke carrière staat ook Dòktor’s ambtelijke carrière niet stil. In juni 1940 wordt hij benoemd tot griffier aan het Hof van Justitie. Bij de Statenverkiezingen van november 1941 wint de Katholieke Partij alle zes de zetels voor Curaçao, omdat de partij als enige meedoet aan de verkiezingen. Da Costa Gomez wordt herkozen. In juni 1941 deelt de gouverneur aan de Staten mee dat koningin Wilhelmina staatkundige hervormingen in het koninkrijk heeft aangekondigd. Zij wil grotere zelfstandigheid geven aan de koloniale gebieden. Voor Curaçao betekent dit een mate van autonomie. In verband met deze ontwikkelingen wordt Da Costa Gomez in februari 1942 aangewezen als één van de drie afgevaardigden voor een Rijksconferentie, die na de oorlog gehouden zal worden. Op deze conferentie zal de nieuwe structuur voor het Rijk en de Rijksdelen ontwikkeld worden.

 

In juni 1942 wordt Da Costa Gomez vanwege zijn deskundigheid in Antilliaanse aangelegenheden benoemd tot lid van de Buitengewone Raad van Advies in Londen. Koningin Wilhelmina is, na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de bezetting van Nederland door Duitsland, naar Londen uitgeweken. De Buitengewone Raad van Advies heeft als taak om de Nederlandse Regering in ballingschap in Londen te adviseren over “ontwerpbesluiten waarin algemeen bindende regelingen voor Nederland en Overzeese Gebiedsdelen worden vastgesteld.” De Raad van Advies bestaat uit dertien leden, waarvan één lid uit Suriname en één lid uit Curaçao. Statenvoorzitter J.H. Sprockel noemt het vertrek van Da Costa Gomez naar Londen: “de eerste daad van medezeggenschap van het Staatsdeel Curaçao.” Tijdens zijn verblijf in Londen, van februari 1943 tot september 1944, behoudt Da Costa Gomez zijn Statenlidmaatschap van Curaçao. Over zijn tijd in Londen is vanwege de vertrouwelijkheid van het werk van de raad, weinig bekend. Ondertussen kondigt koningin Wilhelmina in een radiorede, op 6 december 1942 vanuit Londen, grotere zelfstandigheid aan voor de Overzeese Gebiedsdelen. Zij zullen meer zelfbeschikking en vrijheid in binnenlandse kwesties krijgen.

Na zijn terugkeer op Curaçao, najaar 1944, voert Da Costa Gomez verkiezingscampagne voor de Katholieke Partij. Hij is samen met partijgenoot J.H. Sprockel en de protestantse leider A.G. Statius Muller een van de weinige politici die, naast de interne problemen van Curaçao, ­het verlangen naar politieke hervormingen aankaart in toespraken en geschreven teksten. In zijn functie als waarnemend hoofd van het Departement van Sociale en Economische Zaken ziet Da Costa Gomez de slechte sociale en economische omstandigheden van de arbeiders en hun wankele rechtspositie. Het stoort hem dat het overgrote deel van de bevolking niet actief kan deelnemen aan de politiek, omdat hij kiesrecht als een grondrecht ziet. Op het departement vraagt Dòktor zijn ambtenaren om in diensttijd Nederlands te spreken. Door zijn jarenlange verblijf en opleiding in Nederland is hij bang dat het alleengebruik van Papiamentu tot ‘insularisme’ kan leiden. Dat is een stroming die het eigen eiland als centrum neemt en als maatstaf gebruikt en geen oog heeft voor alles wat daarbuiten valt. Da Costa Gomez is bang dat Curaçao daardoor te veel geïsoleerd zal raken. Hij is een groot voorvechter van autonomie van het ‘Staatsdeel Curaçao’ (hij is tegen het woord ‘Gebiedsdeel’), maar hij wil de band met Nederland ook niet verbreken. Zijn ideaal is een hechte samenwerking tussen de zes eilanden en Nederland.

 

De verkiezingen van 5 november 1945 worden gewonnen door de in 1944 opgerichte Democratische Partij (D.P.). De Democratische Partij is voorstander van onmiddellijke toekenning van volledige autonomie. Da Costa Gomez begrijpt na deze overwinning van de D.P. dat godsdienstige overtuiging geen beslissende invloed hoeft te hebben op het kiezersgedrag. Tegelijkertijd voelt hij zich geïnspireerd omdat de meeste stemmen op de Katholieke Partij op hem zijn uitgebracht. De Katholieke Partij houdt na deze verkiezingen nog maar twee zetels over in de Staten van de Nederlandse Antillen. Da Costa Gomez bezet daarvan één zetel. Er ontstaan langzamerhand meningsverschillen tussen Da Costa Gomez en de Katholieke Partij. Nos Lucha (Onze Strijd), het blad van het in 1946 opgerichte Volkscomité, meldt op 15 maart 1948 dat Da Costa Gomez al een jaar voor de verkiezingen van 1945 wijst op de gevaren van een slappe politieke houding. Hij treedt af als fractieleider van de Katholieke Partij omdat hij het niet eens is met de houding van de fractie. Verder meldt Nos Lucha dat een door Da Costa Gomez in 1944 ontworpen nieuw partijprogramma door de Katholieke Partij weliswaar behandeld, maar vervolgens weggemoffeld is. Op verzoek van het hoofdbestuur en de fractie wordt die breuk niet bekend gemaakt. Da Costa Gomez is niet blij met het protest van mr. L.A.L. Weeber, secretaris van de Katholieke Partij, tegen een verzoek van de Democratische Partij aan het gouvernement (midden 1945), om het aantal kiezers op de kiezerslijst uit te breiden met 600 namen. De behoudende katholieke kerk vindt de Curaçaose bevolking niet rijp voor algemeen kiesrecht. Het weekblad Curaçao meldt op 2 augustus 1945 dat pastoor Möhlmann, in een artikel heeft gesteld dat ‘’de grote massa absoluut niet mag stemmen.” Een pamflet van de Stichting Algemene Politieke Voorlichting’ (1958) meldt dat Da Costa Gomez zich na de verkiezingen van 1945 voorbereidt om de Katholieke Partij te verlaten. In Amigoe di Curaçao, een dagblad dat redactioneel en financieel beheerd wordt door de R.K. Kerk, wordt Da Costa Gomez verweten dat hij na de overwinning van de Democratische Partij voor ‘progressiviteit zonder matiging’ kiest. Een voorstel van Da Costa Gomez om het woord katholiek in de naam te verwijderen, wordt door de Katholieke Partij afgestemd. Over de verwijdering tussen de Katholieke Partij en Da Costa Gomez wordt in het openbaar niet gesproken, omdat de Katholieke Partij bang is om kiezers te verliezen. Dòktor krijgt intussen steeds meer aanhangers.

 

In januari 1946 wordt Comishon di Pueblo (Volkscomité) opgericht. Dit comité bestaat uit ontevreden leden binnen de Katholieke Partij, die vooral bezwaar hebben tegen de conservatieve invloed van de kerk op het politieke leven. Zij willen, tegen de zin van kerk en partijleiding in, een snelle politieke losmaking van de Nederlandse Antillen en politieke mobilisatie van het Curaçaose volk. Oprichters zijn onder andere E. Newton, Hendrik G.M. Pieters Kwiers, Da Costa Gomez en Ernesto Rozendaal. Voorzitter van het Volkscomité wordt C.W.F. ‘’Nene” Davelaar. Hoewel Da Costa Gomez formeel niet de voorman van het Volkscomité is, wordt hij wel gezien als de politieke leidsman. Het doel van het Volkscomité is het steunen en verdedigen van de denkbeelden van Da Costa Gomez binnen en buiten de Katholieke partij. Dat gebeurt via politieke bijeenkomsten en het blad Nos Lucha (Onze Strijd), dat vanaf december 1946 tweewekelijks verschijnt. Dit blad fungeert als spreekbuis van het volkscomité en geeft uiting aan de strijdvaardigheid van het comité. Redacteur is C.W.F. ‘’Nene” Davelaar. Het Volkscomité is de voorloper van de Nationale Volkspartij.

Aankomst op Schiphol van de Statendelegatie met de autonomiepetitie, 11 juni 1946.

Bron: Nationaal archief, fotoarchief.

Een Statendelegatie onder leiding van Da Costa Gomez biedt in april 1946 een autonomiepetitie aan, aan de Nederlandse regering waarin de wensen van de Curaçaose bevolking kenbaar worden gemaakt. Daarin wordt verzocht om:

  • Een volledig gekozen volksvertegenwoordiging.
  • Een College van Algemeen Bestuur belast met de uitvoerende macht.
  • Inperking van de uitvoerende macht van de gouverneur.
  • Decentralisatie van het bestuur.
  • Algemeen mannenkiesrecht en beperkt vrouwenkiesrecht.

Nog voor het vertrek van de Statendelegatie op 9 juni 1946 distantieert de voorzitter van het hoofdbestuur van de Katholieke Partij zich van een manifest van de Curaçaose bevolking. In dat manifest geeft de Curaçaose bevolking haar steun aan de ideeën van de door Da Costa Gomez geleide Autonomiecommissie. Op 13 juni 1946 blijkt uit een telegram aan prof. Romme, fractievoorzitter van de Katholieke Volks Partij (K.V.P.) in de Tweede Kamer, dat de Katholieke Partij van Curaçao als enige partij tegen de autonomiepetitie is. Het hoofdbestuur van de Katholieke Partij zegt niet tegen autonomie te zijn, maar vindt de voorgestelde wijzigingen in de autonomiepetitie te gehaast en ze druisen wat hen betreft in tegen het katholieke belang. Zo drijven Da Costa Gomez en de Katholieke Partij steeds verder uit elkaar.

Na zijn verblijf in Nederland keert Dòktor in juli 1946 terug en verzamelt een groep van achtentwintig mannen van het eerste uur in een huis van Pedro en Pura Cijntje[1] op Westpunt. Onder hen Ernesto Rozendaal, C.W.F. ‘’Nene” Davelaar, Hendrik G.M. Pieters Kwiers, E. Newton, G.M. Lodowica en Frank Delannoy. Da Costa Gomez legt hen zijn plannen voor en zij beloven trouw aan de ‘heilige strijd’, aan Curaçao en aan het leiderschap van Da Costa Gomez. De dag erna wordt het hoofdbestuur van de Katholieke Partij afgezet. Een motie van wantrouwen wordt door de partijraad met 480 tegen 398 stemmen aangenomen. Een nieuwgekozen bestuur, met Ernesto Rozendaal als voorzitter, schaart zich achter de Statencommissie en achter Da Costa Gomez. Voor Da Costa Gomez wordt duidelijk dat een breuk met de Katholieke Partij onvermijdelijk is. Maar hij weet ook dat er tijd nodig is voor het oprichten van een nieuwe partij. Om de juiste mensen te vinden die de partij kunnen leiden en haar ideeën kunnen uitdragen en om de noodzakelijke financiën bij elkaar te krijgen. Daarom ontwikkelt hij een campagne die in 1946 verder wordt uitgerold. De campagne omvat initiatieven als de Underground beweging en de Fondo di Autonomia (het Autonomiefonds). De Underground beweging is een ultra-geheime organisatie van Da Costa Gomez’ aanhang die tot doel heeft om leden te werven voor een nieuwe partij en het volk enthousiast te maken voor de politiek en het streven naar autonomie. Dit gebeurt door voorlichting en politieke scholing. Het doel van het Autonomiefonds is scholing van het Curaçaose volk om personen te werven die een openbare functie kunnen uitoefenen in een autonoom Curaçao. Met hulp van particuliere giften en opbrengsten van bazaars wil men een gebouw aanschaffen, de sociale-, hygiënische- en economische voorzieningen voor het volk verbeteren, studiemogelijkheden voor minder vermogende jongeren stimuleren en publicatie en documentatie over Curaçao aanmoedigen.

 

Op 26 maart 1947 wordt Da Costa Gomez benoemd tot vertegenwoordiger van Curaçao bij het Ministerie voor Overzeese Gebiedsdelen in Den Haag. Van 2 april 1947 tot 3 december 1948 verblijft hij in Nederland (Den Haag), als eerste Algemene Vertegenwoordiger van de Nederlandse Antillen.[2]

Ook in deze periode in Nederland behoudt hij zijn Statenlidmaatschap op Curaçao. Da Costa Gomez vormt de verbindingsschakel tussen de regering in Nederland en de Staten van de Nederlandse Antillen. Op 24 juni 1947 houdt het Volkscomité een openbare vergadering, waarvoor ook niet-leden van de Katholieke Partij worden opgeroepen. Het Volkscomité presenteert zich hier als een algemene organisatie voor alle politieke richtingen. C.W.F Davelaar wijst er bij die gelegenheid op dat werken tegen het Volkscomité gelijk staat aan werken tegen het volk en de belangen van Curaçao. De heer Sambo, vicevoorzitter van het Volkscomité, verklaart dat niemand op politiek gebied zoveel werk in het belang van Curaçao verzet als Da Costa Gomez.

Hij wijst de toehoorders op hun plicht om achter hun ‘Celebre e Inspirado Compatriota’ (beroemde en geïnspireerde landgenoot) te gaan staan. Da Costa Gomez, overgekomen vanuit Nederland, treedt zelf ook op als spreker en zegt dat hij ervan overtuigd is dat niets de nakoming van de Nederlandse belofte in de weg staat, behalve de Curaçaoënaars zelf. Op zijn initiatief wordt vanuit de vergadering een telegram gestuurd aan de Tweede Kamer met het verzoek om het recht van de gouverneur om Statenleden te benoemen uit het wetsontwerp te lichten.

 

Van januari tot maart 1948 vindt de door koningin Wilhelmina eerder aangekondigde Rijksconferentie plaats in de vorm van de Eerste Rondetafelconferentie. Da Costa Gomez neemt hieraan deel als leider van de Statendelegatie. Doel van deze conferentie is om een basis te leggen voor de gewenste staatkundige hervormingen. Een belangrijk besluit is de wijziging van de bestaande verhoudingen tussen Nederland, Suriname en Curaçao naar een nieuwe staatsorde met de naam ‘Verenigd Koninkrijk der Nederlanden’. De onderlinge relaties moeten voortaan gebaseerd zijn op vrijheid, gelijkwaardigheid en verbondenheid. Een vervolg op de Eerste Rondetafelconferentie is de vaststelling van de ‘Wet tot wijziging van de staatsregeling van Curaçao’. Daarmee krijgen de eilanden van de Nederlandse Antillen tot op zekere hoogte het recht interne zaken zelfstandig te regelen.

Van volledige autonomie is nog geen sprake, wel van gedeeltelijke autonomie. Wetgeving en bestuur blijven voor een deel in handen van de gouverneur.

Via de instelling van een College van Algemeen bestuur (C.A.B) vindt gedeeltelijke overdracht plaats van de macht van de gouverneur aan dit college. Verder vindt uitbreiding plaats van het aantal Statenzetels van vijftien naar eenentwintig en verandert de naam Curaçao in Nederlandse Antillen.

En tenslotte wordt na jarenlang ijveren het algemeen kiesrecht ingevoerd. Op 17 maart 1949 vinden de eerste Algemene Verkiezingen plaats, waarbij ook vrouwen voor het eerst naar de stembus mogen. De Nationale Volkspartij komt als winnaar uit de bus.

 

[1] Pedro Cijntje 1897-1980; Pura Cijntje 1907 - 2004

[2] De voorloper van de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen in Den Haag


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.