4. De strijder voor autonomie

Gepubliceerd op 22 juli 2021 om 15:05

‘’Nos mes ta bai manda” (Wij gaan zelf besturen)

Da Costa Gomez pleit al vroeg in zijn leven voor meer autonomie voor het Antilliaanse volk. Al op veertienjarige leeftijd deelt hij zijn vrienden mee dat hij het vreemd vindt dat de plaatselijke regering door de Nederlandse overheid wordt samengesteld. Hij vindt dat de regering gekozen moet worden door het volk dat daar recht op heeft. In zijn studententijd spreekt Da Costa Gomez zich uit tegen het Regeringsreglement van 1865. Dit is het jaar waarin de Koloniale Raad in werking treedt en een Raad van Bestuur wordt gevormd, die bestaat uit de gouverneur (voorzitter) en vier leden, meestal hoofdambtenaren uit Nederland. Het volk heeft geen enkele zeggenschap in dit bestuur. De Koloniale Raad bestaat uit dertien leden, die op voordracht van de koningin benoemd worden. Vaak zijn het protestantse en Joodse rijken. De macht van de gouverneur is absoluut en daarmee ook de politieke macht van Nederland over de eilanden. Da Costa Gomez ziet het regeringsreglement van 1865 als een historisch onrecht voor het Curaçaose/ Antilliaanse volk, omdat hen daarmee het recht tot zelf kiezen van een volksvertegenwoordiging onthouden wordt. Hij begrijpt niet waarom de ingezetenen van de kolonie Curaçao geen kiesrecht krijgen, in tegenstelling tot andere kolonies als Suriname en Indonesië.

Met zijn streven naar autonomie treedt hij in de voetsporen van Abraham Mendes Chumaceiro, die al vanaf 1880 pleitte voor de politieke rechten van het Curaçaose volk. Het wordt Da Costa Gomez’ missie om autonomie te realiseren voor de zes eilanden binnen het Koninkrijk. Hij ziet autonomie (zelfbestuur) als een instrument om economische, sociale en culturele vooruitgang te boeken. En hij beseft dat voor autonomie een volwaardige volksvertegenwoordiging en algemeen kiesrecht nodig zijn. Om zijn idealen te realiseren levert hij strijd op meerdere fronten, een nationale-, politieke- en emancipatiestrijd.

Een aantal van Dòktor’s idealen zijn:

  • Het omzetten van de koloniale status van Curaçao[1] naar een autonome status.
  • Zelfbestuur in interne eilandszaken door bestuursorganen van de eilanden zelf.
  • Politieke bewustwording van het Curaçaose volk. Hij acht de bevolking van de zes eilanden bereid en in staat om zichzelf te besturen.
  • Een bestuur dat verantwoordelijk is aan een door algemeen kiesrecht gekozen parlement.
  • Het bevorderen van gelijke sociale, economische en culturele ontwikkelingskansen voor alle burgers.
  • Samenwerking en bijstand tussen de delen van het Koninkrijk.

 

In zijn streven naar autonomie ondervindt Da Costa Gomez de nodige hindernissen. Zo is daar de harde tegenstand van de koloniale overheid, het lokale bedrijfsleven en de Rooms Katholieke missie om de macht te delen met het volk. Het ontbreekt aan geschikte leiders, met de juiste capaciteiten, filosofie en ideologie om de bevolking te activeren, stimuleren en mobiliseren. Er bestaan nog geen politieke organisaties en politieke tradities voor de mensen in de buitendistricten (kunuku). Er is geen visie en strategisch plan hoe de eilanden zich moeten opstellen richting Nederland in hun streven naar autonomie. Bovendien bestaat het staatsdeel Curaçao uit zes eilanden met elk eigen wensen en grote verschillen in het aantal inwoners. De weg naar autonomie is allesbehalve een eenvoudige weg om te bewandelen, maar Dòktor is zeer gedreven en volhardend. Na 1944 vinden de Democratische Partij en de 'Underground-beweging' (later het Volkscomité en in 1948 de Nationale Volks Partij) elkaar in hun streven naar autonomie. Hun grondbeginselen verschillen niet zoveel van elkaar. In 1946 sturen de Staten, op initiatief van de Democratische Partij een Statendelegatie onder voorzitterschap van Da Costa Gomez naar Nederland om een autonomiepetitie aan te bieden. Zij willen wat meer druk zetten en niet blijven wachten op actie van Nederland, dat niet erg veel haast lijkt te maken met het organiseren van de in 1942 aangekondigde Rijksconferentie. In dat kader neemt Da Costa Gomez ook het initiatief om in mei 1946 met een Statencommissie Suriname te bezoeken. Hij wil de krachten bundelen om alvast tot procedure-afstemming te komen, vooruitlopend op de aangekondigde Rijksconferentie. Hoewel Da Costa Gomez in eerste instantie niet als delegatielid gekozen wordt voor het aanbieden van de autonomiepetitie, kan hij in juni 1946 toch als voorzitter van de Statendelegatie de autonomiepetitie aan de Nederlandse regering overhandigen. Statenlid Dr. Harry ”Gungu” Maal van de Democratische Partij maakt dit mogelijk door zijn plaats aan Da Costa Gomez af te staan. Maal vindt het belangrijk dat iemand aan de delegatie deelneemt, die de materie in alle opzichten beheerst. Maar ondanks gezamenlijke initiatieven wordt het streven naar autonomie in de politieke arena niet bepaald op basis van wederzijds begrip afgehandeld. Daar wordt het onderwerp gebruikt voor partijpolitieke doeleinden, met ellenlange en heftige discussies tot gevolg. In deze periode waarin zich een grote omwenteling aftekent, probeert iedereen zijn positie veilig te stellen.

Da Costa Gomez zegt daarover:

Grote politieke gebeurtenissen, die in het nationale leven grote veranderingen brengen, hebben zelden plaats zonder ernstige botsingen. Zij die het bestaande regime steunen en daar de voordelen van genieten, zien de vernieuwing als ondergang van hun gevestigde belangen.

 

Het in januari 1946 opgerichte Volkscomité heeft voor wat betreft autonomie de volgende wensen:

  • Vertegenwoordiging van overzeese gebieden in alle organen van het nieuwe Koninkrijk op een manier die recht doet aan hun zelfstandigheid.
  • Curaçao moet als autonoom, gelijkberechtigd deel van het Koninkrijk zijn eigen grondwet vaststellen, waarin zelfstandig bestuur en wetgeving geregeld worden.
  • Handhaving van de soevereiniteit van het Huis van Oranje, ook na erkenning van de gelijkwaardigheid van de rijksdelen.
  • Elk eiland moet de vrijheid hebben om zich uit te spreken voor zelfstandigheid tegenover de andere eilanden.

 

De belemmeringen en meningsverschillen op weg naar autonomie ontlokken Da Costa Gomez in februari 1948 de opmerking dat geen van de bestaande partijen actie schijnt te kunnen voeren voor het algemeen welzijn van Curaçao. Kort daarna richt het Volkscomité op 19 april 1948 de Nationale Volkspartij (N.V.P) op, een partij op christendemocratische grondslag. Dit gebeurt op initiatief van Da Costa Gomez, die op dat moment zelf in Nederland verblijft. Het eerste dagelijks bestuur wordt gevormd door M.F. da Costa Gomez (voorzitter), E. Newton, C.W.F. Davelaar, H.G.M. Pieters Kwiers, J. Eleonora, A. Visceiza, E. Broos, W.R. Plantz en A.R. Celestina. Met de oprichting van de N.V.P. verlaat Da Costa Gomez de Katholieke Partij. Omdat groen zijn lievelingskleur is, wordt dat de kleur van de nieuwe partij. De nieuwe partij hecht grote waarde aan de publieke opinie. Via die publieke opinie wil men de belangstelling en instemming wekken die nodig is voor het bereiken van eenheid onder de bevolking. Het nationalisme van de N.V.P. wordt door C.W.F. Davelaar, voorzitter van het Volkscomité omschreven als “...de bereidheid tot elk persoonlijk offer voor het vaderland, de liefde voor de eigen cultuur en het besef de politieke leiding over het eigen land ter hand te moeten nemen”.

[1] ‘Het staatsdeel Curaçao’ omvat zes eilanden.

Steunoproep van het Autonomiefonds. Bron: Nos Lucha, 1947

De statuten van de partij worden afgedrukt in Nos Lucha dat daarmee het tijdschrift van de Nationale Volkspartij wordt. Gecommuniceerd wordt in het Papiamentu en Nederlands. In het blad wordt meteen stelling genomen tegen de, in dezelfde week, opgerichte nieuwe Katholieke Volkspartij. Zowel de statuten van de N.V.P. als het verkiezingsprogramma voor de verkiezingen van 1949 ademen de geest en idealen van Dòktor. In de op 19 april 1948 definitief vastgestelde statuten van de partij worden de volgende doelstellingen geformuleerd:

  • Realiseren van autonomie voor de zes eilanden binnen het Koninkrijk.
  • Zelfstandigheid van de afzonderlijke eilanden.
  • Democratische inrichting van het bestuur en nakoming van de rechten van de mens.
  • Gelijke bescherming van alle godsdiensten en handhaving van de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs.
  • Bevordering van gelijke sociale ontplooiingskansen voor alle burgers.
  • Uitbreiding van bestaansbronnen en zorg voor de economisch zwakkere eilanden.

 

Midden 1948 wordt Kas di Pueblo aangekocht door het Autonomiefonds. Kleine en grote donaties hebben deze aankoop mogelijk gemaakt. Dit wordt een bolwerk van waaruit het Volkscomité en daarna de Nationale Volkspartij opereren om op intensieve wijze de idealen en politieke denkbeelden van Da Costa Gomez te verspreiden en in concrete daden om te zetten. Dit gebeurt zowel binnen de muren van Kas di Pueblo, als in de wijken. Kas di Pueblo groeit uit tot een permanent mobilisatie- en organisatie-instrument van het Volkscomité en later van de N.V.P. en herbergt diverse activiteiten, zoals secretariaten van verschillende vakbonden, vrouwengroepen (Damanan di Djarasón), een medisch spreekuur, een vacaturebank (arbeidsbeurs), een klachten- en adviesbureau voor hulpbehoevenden, huiswerkbegeleiding en bijles en advies (en geld) voor studie in Nederland. Een ware innovatie in politieke en sociale organisatie. Da Costa Gomez en zijn medestanders zorgen hiermee voor het ontstaan van een politieke infrastructuur, logistieke ondersteuning, de vorming van politieke leiders in de wijken en politieke bewustwording van het volk, en meer specifiek van de afro-Curaçaoënaar, in het bijzonder in de buitenwijken. Voor het eerst zal de bevolking toegang krijgen tot het politieke strijdperk en zich uitspreken over de politieke partijen en hun leiders.

Lidmaatschapsboek van mevrouw M. Ranes uit Fleur de Marie/St. Jago. Bron: Archief van Eugène Boeldak

De tactiek om de onervaren kiezers voor zich te winnen bestaat voor de politieke partijen vooral uit het benadrukken van de prestaties van de eigen partij en de eigen leider en het waarschuwen voor de ‘gevaarlijke’ koers van de tegenstanders. De partijprogramma’s, die onderling niet veel verschillen, staan niet centraal. Da Costa Gomez’ insteek voor de verkiezingen van 1949 zijn de Interimregeling en het vrouwenkiesrecht.

De N.V.P. rekent op forse steun van de Curaçaose vrouwen, vooral vanwege het pionierswerk dat de Damanan di Djarasón en andere Katholieke vrouwen hebben verricht rond de petitie voor algemeen kiesrecht. Na het opstellen van het verzoekschrift in overleg met mr. Isaac Debrot op dinsdag 24 februari 1948, weten de dames van de kiesrechtpetitie in amper een week tijd 1.013 handtekeningen te verzamelen. Zij zorgen voor publiciteit in diverse kranten, waaronder de Beurs- en Nieuwsberichten, typen de lijsten uit en zorgen voor verzending van de stukken naar Nederland en een afschrift naar gouverneur Kasteel. Woensdag 17 maart 1948 wordt de Staatsregeling aangenomen in de Tweede Kamer. Mejuffrouw Tendeloo, indienster van een motie die met 57 stemmen voor en 19 stemmen tegen wordt aangenomen, zegt hierover: ‘’Voor Nederland is het vrouwenkiesrecht een zegen geweest. De Curaçaose vrouwen zullen moeten bewijzen het vrouwenkiesrecht waard te zijn.’’ Donderdag 18 maart 1948 vermeldt Beurs- en Nieuwsberichten als eerste de aanname van het algemeen vrouwenkiesrecht. Amigoe di Curaçao volgt op 19 maart. Een wijziging van de (Rijks)grondwet, die volledige autonomie voor de Nederlandse Antillen en Suriname mogelijk maakt, wordt opgehouden door de revolutionaire ontwikkelingen in Indonesië. Om te zorgen dat het proces naar autonomie voor de Nederlandse Antillen en Suriname hierdoor niet stil komt te liggen, doet de Redactiecommissie van de Rondetafelconferentie, waarin Da Costa Gomez het staatsdeel Curaçao vertegenwoordigt, een voorstel voor een Interimregeling. Da Costa Gomez maakt voor het eerst melding van de op handen zijnde Interimregeling, in een uitzending van de Wereldomroep bestemd voor de Antillen op 17 november 1948. Op 17 maart 1949 vinden de eerste verkiezingen met algemeen kiesrecht plaats, waarbij de Nationale Volkspartij als winnaar uit de bus komt. Als leider van de winnende partij wordt Da Costa Gomez gevraagd een College van Algemeen Bestuur (C.A.B.) te formeren. Na intensieve onderhandelingen lukt het hem een coalitie van dertien zetels te vormen (N.V.P, A.V.P. (Aruba), lijst Marchena (Bonaire) en drie Bovenwindse zetels). Het C.A.B. dat uit maximaal zes leden mag bestaan, staat onder voorzitterschap van de gouverneur en heeft een mate van uitvoerende macht. Het C.A.B. kan gezien worden als een voorloper van de Regeringsraad, de benaming vanaf februari 1951.

Da Costa Gomez wint de eerste verkiezingen op Curaçao met algemeen kiesrecht op 17 maart 1949.

Bron: Nationaal Archief, fotoarchief.

Da Costa Gomez wordt voorzitter van het tweede College van Algemeen Bestuur (mei-juli 1949). Deze coalitie leidt maar een kort leven door het overlopen van twee A.V.P. leden, het wegblijven van regeringspartijen, waardoor de opvolger van Da Costa Gomez in de Staten niet geïnstalleerd kan worden, en door een motie van wantrouwen. De machtsstrijd tussen politieke groepen op Curaçao en Aruba is in volle gang.

18 mei 1949 Het 2de College van Algemeen Bestuur, geleid door Da Costa Gomez. Bron: Nationaal Archief, fotoarchief.

De Interimregeling maakt een nieuwe rechtsorde mogelijk en opent de weg naar volledige autonomie. Het idee is dat de regering van de Nederlandse Antillen (nieuwe naam) voortaan zal bestaan uit een Regeringsraad (eerder het College van Algemeen Bestuur) en de gouverneur. De Regeringsraad heeft de uitvoerende macht in handen en is verantwoording schuldig aan de Staten. Op die manier ligt de verantwoordelijkheid voor wetgeving en bestuur voortaan in de Nederlandse Antillen zelf en niet meer in Nederland. De Interimregeling wordt uiteindelijk 7 februari 1951 officieel van kracht.

Spotprent verkiezingen 21 december 1950. Bron: Lorito Real

Na de verkiezingen van 21 december 1950 wordt een coalitieregering op smalle basis gevormd rondom de N.V.P., de winnende Curaçaose partij. Da Costa Gomez wordt voorzitter van de eerste Regeringsraad (19 april 1951-1954) en beheert verder de portefeuilles Algemene Zaken, Landbouw, Veeteelt, Visserij en Watervoorziening. Het is het eerste echt verantwoordelijke politieke kabinet, waarbij Da Costa Gomez gezien kan worden als de eerste Minister-President van de Nederlandse Antillen. In de periode van de eerste Regeringsraad komen een groot aantal wetten tot stand die nodig zijn voor de praktische uitvoering van de Interimregeling. De regering richt zijn aandacht op de tweede Rondetafelconferentie, waarin het ontwerp voor het Statuut en het ontwerp voor de nieuwe Rijksgrondwet aan de orde komen. Da Costa Gomez presenteert een eigen ontwerp-Statuut met een federale structuur (Rijkskabinet, Rijksparlement en Rijksgrondwet). Ook de spoedige integrale doorvoering van de autonomie voor alle eilanden vraagt om aandacht. Op 3 april 1952 start de tweede Rondetafelconferentie, met een door Nederland gepresenteerde ‘Schets voor het Statuut’ als uitgangspunt. Da Costa Gomez leidt de Nederlands-Antilliaanse delegatie. De conferentie levert weinig op. Dit komt vooral door een aantal eisen van Suriname waartegen Nederland zich verzet. In een kleine commissie, waarin Da Costa Gomez de belangen van de Nederlandse Antillen vertegenwoordigt, beraadt men zich verder.

RTC-zitting van 3 april 1953. Bron: Nationaal Archief, fotoarchief.

In 1954 vindt de derde Rondetafelconferentie plaats, voorafgegaan door een kleine Rondetafelconferentie op Curaçao. Opnieuw is Da Costa Gomez voorzitter van de Nederlands-Antilliaanse delegatie. Dit keer wordt wel overeenstemming bereikt, zoals blijkt uit de slotverklaring van de Rondetafelconferentie op 3 juni 1954 in Nederland. Nadat het Statuut wordt aangenomen in zowel het Nederlandse parlement als in de Surinaamse- en Antilliaanse Staten, geeft koningin Juliana haar bevestiging aan het Statuut op 15 december 1954 in Den Haag. Daarmee is volledige autonomie voor het Antilliaanse volk een feit.

Ontvangst van de RTC-delegatie door Koningin Juliana op paleis Soestdijk, 26 mei 1954.
Bron: Nationaal Archief, fotoarchief.

Bij de ondertekening van het Statuut in Nederland is Da Costa Gomez wel aanwezig, maar het is Efraim Jonckheer die het Statuut als premier ondertekent. Hoewel de Nationale Volkspartij de verkiezingen van 15 november 1954 wint, komt toch de Democratische Partij in de regering, door samenwerking met de Partido Patriotico Arubano (P.P.A.). Deze partij wordt coalitiepartner in de regering samen met partijen van Bonaire en de Bovenwinden. Het is een bittere pil voor mr. dr. M.F. Da Costa Gomez, die zich zo met hart en ziel heeft ingezet voor de politieke emancipatie van kolonie Curaçao tot het land ‘de Nederlandse Antillen’. De totstandkoming van het Statuut betekent voor Da Costa Gomez de afronding van een deel van zijn idealen: het omzetten van de koloniale status van de Antillen in een autonome status. Maar klaar is hij zeker nog niet, want ook de verdere ontwikkeling van het politiek bewustzijn van het Antilliaanse volk en de bevordering van gelijke sociale, economische en culturele ontplooiingskansen voor alle burgers vragen zijn aandacht.

Een van de vele composities van Chan Cudgon voor de Nationale Volks Partij Bron: Archief R.D. Boeldak


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.